Aan de dappere en Vaderlandslievende Deenenvan den 2de April 1801.K’zing in myn Vaderland voor U regtschapen Deenen.Voor ’t geen Gy op deez’ Dag de Waereld hebt getoond;Uw Naam en Dapperheid word in Metaal en SteenenAan ’t Nageslagt vermeld, en door de Deugd bekroond.Dacht Parker in de Sond, de Deenen te doen bukken?Neen! Gy hebt hem getoond, voor Coppenhagens Strand,Toen Hy door Overmagt het Norden sogt te drukken,Dat Gy aan Deugd en Trouw uw Leeven had verpand;Gy hebt den Dood veragt, toen G’uw als Muuren steldenVoor S’Vyands Moord-Geschut; Uw Roem tot hunne SpytZong men in Zeegenpraal by ’t Sneuvlen uwer HeldenDoor t’Vaderlandsche Lied: op Broeders! tot den stryd.Hoe d’Uytslag ook mag zyn, de Faam meld reets uw Daden;Tot aan de Zuyder Pool de Noorder meld uw Lof:De Vyand van uw Roem heeft U met Roem beladen.Den Held van Abukir heeft hier geen Juychens Stof!Mogt ’t Noordsche Zeeverbond eens ’t Britsch Geweld verbreeken!Dan reyst een Juych-Stem op, tot boven Lugt en Zwerk,Dan ziet Ge op Kronenborg een Zeegen-Vlag opsteekenMet deeze goude Spreuk: dit is der Britten Perk.Een Bataaf.