EEn jongh enaerdigh paer, een vveynigh tijts geleden,
VVas, naer een langh gevry in echten staet getreden.
De tijt doet haren gangh, de bruyloft is gedaen,
De vrienden zijn verreyst en hares vveeghs gegaen.
De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen
Dat sy den maeghde-krans niet meer vermocht te dragen,
Die nam haer nieuvven vrient soo vvat ter zijden af,
Daer sy hem ondergingh, en dese lesse gaf:
Phileta (sooje vveet) vvy zijn nu echte lieden,
En moeten by gevolgh verschil en onlust vlieden;
De vreed’ is voor de vrou en even voor den man
Het beste dat men oyt ten echte brengen kan.
Ick vvil in dit beleyt mijn kracht en jonge leden,
Ick vvil tot ons gemack mijn gansch vernuf besteden;
Ghy tracht gelijck als ick, tot ons gemeene rust,
Soo vvert ons ’t huysgesin tot enckel herten-lust.
VVel aen nu tot een gront van dit geluckigh leven
VVil ick tot u bericht een nutten regel geven,
Ick bidde letter op. vvant sooje dat betracht,
Soo vvort ons gansch bedrijf in goeden stant gebracht.
Ick heb een selsaem hooft, en dickmael losse vlagen,
Die somtijts verre gaen, en niet en zijn te dragen;
Maer vvie slechts voor een vvijl mijn luymen vieren kan
En krijghter nimmermeer verdriet of hinder van.
Siet als mijn schorte-kleet is uyt syn plaets gevveken,
Of dat het metter hant ter zijden is gestreken,
Soo vveet dat my de schroef dan niet te vast en staet,
En let dat ghy voor al mijn luymen gade slaet.
VVeet ghy dan mijn gebreck een vveynigh toe te geven,
VVy sullen met vermaeck en in gerustheyt leven,
VVy sullen buyten tvvist verslijten onse jeught,
En leven onder een als in gestage vreught.
Philetas hoortet aen al vvat hem Psyche seyde,
Het schijnt dat hy haer vvoort als aen syn herte leyde,
En, naer hy sigh hier op een vveynigh had bedacht,
Soo heeft hy met bescheyt syn antvvoort in-gebracht:
Het is my, vveerde lief, een vvonder groot behagen,
Dat ghy de gronden leght voor onse goede dagen;
Ick vvil u vveder zijn een soet en rustigh man,
En brengen tot het vverck al vvat ick immer kan.
Ick heb van u verstaen, en vvil het over-vvegen,
Hoe dat in u gemoet de saken zijn gelegen.
Ick vvil u van gelijck ontdecken mijnen aert,
En ’t is de rechte vvegh om vvel te zijn gepaert.
Ick heb een vijsen kop, en vvonder vremde kueren,
Soo datter niet een mensch by my en kan gedueren;
Maer vvie mijn grillen viert, of handelt met bescheyt,
Die siet den vvrock versoent en haestigh af-geleyt.
Maer op dat ghy verstaet, vvanneer ick ben te mijden,
En hoe dat met gedult mijn rancken zijn te lijden,
Soo let op desen peyl; De roos van mijnen hoet
Sal u een teycken zijn, vvanneer ghy svvichten moet.
Als die niet recht en staet, dan heb ick vremde grillen;
Siet dan mijn hevigh breyn met alle macht te stillen.
En soo ghy dat besorght en hier op vlijtigh acht,
Soo vvord’ ick metter daet in beter stant gebracht.
Hier op vvert onder hen een soet verbont gesloten,
Bevestight door een kus, en met den vvijn begoten;
Een yder die belooft, te passen op het stuck,
Op dat haer stil gesin mocht vvesen buyten druck.
Maer let hoe dat het volck den vvegh hier toe bereyden,
En hoe sy naderhant haer saken overleyden.
Soo haest het vrouvven-kleet is scheef en buyten stant,
Soo haest vvas oock de roos verdraeyt en over-kant.
VVant als Philetas sagh, dat Psyche sou beginnen
Te stellen in het vverck haer ongetoomde sinnen,
Syn geest vvas in de vveer, syn bant die vvert verset,
En soo vvert alle tvvist van stonden aen belet.
De vrou in tegendeel had staegh het oogh geslagen
Op syn verdraeyden hoet, en syn verkeerde vlagen,
Sy viert hem vvatse magh, en hy verschoont het vvijf,
En soo blijft yder een gerust in syn bedrijf.
VVel aen dan vvieder is in echten staet getreden
Die prent in syn gemoet den gront van dese reden:
Ghy vrouvvē eert den hoet, ghy mans het vrouvven-kleet,
Soo blijft het huys gerust en buyten alle leet.