En doeter edel gout en rijcke steenen groeyen:
Hier vvoont een seker volck dat na den regel leeft,
Maer op het echte bed de meeste vvetten heeft.
Geen ongetroude maeght en houft daer oyt te schromen
Hoe sy te rechter tijt een vrijer sal bekomen;
De Machten van het lant, en al den breeden Raet,
Heeft staegh een vvacker oogh ontrent den echten staet.
Of yemant leelick is, of van een lustigh vvesen,
Als haer de jeught verheft haer brant die vvort genesen,
En dat van hooger hant: maer hoe dit vvort beleyt
Dient met een kort gedicht oock hier te zijn geseyt.
Een maeght van schoone vervv, en van bequame leden,
Die komt daer in de stadt tot op de mart gereden:
Thijm, myrte, rosmarijn, en ander edel kruyt
Dat çiert de guide koets, en çiert de jonge bruyt.
De peerden op-gepronckt met hondert rose-kranssen,
Gaen drillen over straet, en schijnen als te danssen:
De voer-man is gekleet in licht en jeughdigh groen,
En doet het moedigh vee bequame sprongen doen.
Ontrent het schoon caros gaen seven jonge maeghden,
Die noyt haer teere jeught by rauvve gasten vvaeghden,
Die stroyen maeghde-palm en loof van edel kruyt.
Ter eeren van het vverck en van de jonge bruyt.
De koets, die niet en draeft als op besette posen,
En doet niet eenen keer als op gesaeyde rosen:
Soo dat de schoone maeght in staege blomtjens rijt,
En dit is als het puyck van haren jongen tijt.
Vijf meesters vvel-geleert haer soete stem te paren
Met fluyten, of geklanck van alderhande snaren,
Die spelen op de lier, of op een soete luyt,
En stracx op dit geklanck soo kijckt de jonckheyt uyt.
Daer komt dan al het volck ontrent den vvagen dringen,
En slaet een nieu-schier oogh op al de moye dingen,
Maer dat hun best bevalt, en aldermeest behaeght,
Dat is het aerdigh beelt, dat is de jonge maeght.
Als dan het schoon toneel is op de mart gekomen,
En dat een groote schaer de plaets heeft in-genomen,
Soo komt de roeper staen ontrent de jonge bruyt,
En roept met alle kracht aldus de vrijster uyt:
Sta by gesvvinde jeught en rappe jonge lieden,
Sta by vvie schoonheyt souckt, en vvilt eens lustigh bieden;
Hier is een frissche roos van niemant oyt gepluckt,
Van niemant aengeroert, van niemant onderdruckt.
Hier is een roode mont, hier is een eerbaer vvesen,
Hier is een schoon juvveel van duysent uyt-gelesen,
Hier is een reyne ziel, hier is een jeughdigh lijf,
Hier is voor uvve koets een eerlick tijt-verdrijf,
Hier is een vvacker oogh, hier roos-gelijcke vvangen,
Hier is een geestigh hair dat herten vveet te vangen,
Hier is een edel pant dat aen een rustigh man
Syn leven-dagen langh tot vreughde dienen kan.
VVat is een schoone vrou een pant van grooter vveerden!
Het is een paradijs, een hemel opder eerden,
Het is een oogen-troost, het is een stage vreught,
Het is een stille ree, een haven voor de jeught.
VVat is een leelick vvijf een monster in den huyse!
Het is een selsaem spoock, een backhuys van Meduyse,
VVie aen haer door de trou syn leven heeft verplicht,
Hoe klaer de sonne schijnt, noch is hy sonder licht.
Dus gaet de roeper aen. De jonckheyt daerentegen
Doet menigh deftigh bot, als tot de koop genegen:
En als men op het lest geen beter kans en siet,
Gevvort de jonge maeght aen die het meeste biet.
En dan roept al het volck, Geluck en vrolick leven
Moet God de jonge maeght, moet God den vrijer geven;
En dit tot seven-mael. en voor een soet besluyt,
De kooper geeft hem op en set hem by de bruyt.
En flucx dan nae de kerck, en als daer is gebeden,
Soo komt de jongh-gesel nae syn vertreck gereden:
En nae dat hy den buyt heeft in het huys gebrocht,
Geniet hy met vermaeck dat by hem is gekocht.
De schoonheyt heeft haer recht tot in haer volle leden,
Laet ons aen d’ ander zy een vveynigh over-treden,
En keeren nu het oogh ontrent een rijpe maeght
Die niet of vveynigh geeft dat aen het oogh behaeght.
Een die van over-langh de landen heeft door-vvandelt
Daer noch ons Hollants volck op heden niet en handelt,
Beschrijft ons nae den eysch een seker trou-geval,
Dat ick voor onse jeught hier onder stellen sal.
EEn vrijster niet te schoon, maer van gesonde leden,
Was veyl na ’s lants gebruyck, en quam ter mart gereden:
De vrienden van de maeght die treden achter aen,
Tot dat de vvagen komt daer hondert vrijers staen.
De bruyt die sit en pronckt, en is in alle deelen
Gansch çierlick uyt-gerust met hant en hals-juvveelen:
Geen kruyt of versche blom en dient haer tot çieraet,
Het is een goude kroon die op haer hulsel staet.
De vvagen is vergult daer op sy is geseten,
En daer uyt kan het volck den ganschen handel vveten,
De peerden zijn geçiert met tuygh van enckel gout,
(Ten minsten nae men seyt, en als men seker hout.)
Daer gaen thien maeghden voor die gulde loovers stroyen,
En vloeken van klinkant op al de vvegen goyen:
Al vvaer het ooge valt daer siet men hellen glans,
En dit schijnt aen het volck een vvonder schoone kans.
De voer-man heeft een rock met seven gele koorden,
Die hem syn onderkleet en oock syn mantel boorden,
Syn svveep-stock is vergult (het lijckt een essen-hout)
En ’t snoer dat is gedraeyt van sijd’ en enckel gout.
Drie gaender voor de koets die op trompetten blasen,
Drie zijnder even-vvel die met haer trommels rasen:
Hier dient vry groot geschal. maer voor een aerdigh dier,
Daer speelt een soete luyt, of vvel een stille lier.
Ontrent een schoone maeght gebruyckt men groene kruydē,
En niet als kleyn çieraet, en niet als vveynigh luyden:
Maer hier vvort meerder vlijt en grooter kost gedaen;
Een bruyt die leelick is, heeft veel parerens aen.
Daer komt het vvin-sieck volck met krachtē aen-gedrongen,
Daer komt de rappe jeught in haesten aen-gesprongen;
VVant yder snelt om strijt, begeerigh om te sien
VVat datter vvort geveylt, en vvatter sal geschien.
Hier treet de roeper toe en geeft hem op den vvagen,
En hem vvort over-al een stock-beurs na-gedragen,
Een stock-beurs vvel gevult. die svviert hy metter hant,
En roept al vvat hy magh: Hier is dat vveerde pant,
Hier is het edel gelt, hier is een gulden regen,
Die vvaer hy neder valt de vverelt doet bevvegen,
Hier is het schoon juvveel dat alle sinnen treckt,
En syn geduchte macht in alle landen streckt.
Hier is het lief metael daerom de mannen krijgen,
Hier is dat schoon juvveel daerom de vrouvven nijgen,
Hier is dat edel tuygh vvaerom de koopman reyst,
En vvaer op al het volck met stage sinnen peyst.
Hier is het achtbaer gelt daer ’t al om is te koopen;
Koomt hier, ô soete jeught, koomt op de mart geloopen,
Hier isset dat u dient. VVie nu niet toe en tast,
Dat is een rechten bloet of vvel een tamme gast.
VVie kan van vvitte vervv of roode vvangen eten?
Ach! al dat meeps gevvas is inder haest versleten;
Al vvat men schoonheyt noemt vvort anders om-geset,
Of door een heete koorts, of door een kinder-bedt.
Een puyst, een kleyn gesvvel, een vveynigh kinder-pocken,
Maeckt vrouvven onbequaem om herten aen te locken:
En schoon ghy vvout het vvijf dan vvijsen vander hant,
Hoe leelick datse vvort ten breeckt geen echten bant.
’Tis vry geen kleyn verdriet een aerdigh vvijf te trouvven,
En alsse leelick vvort haer noch te moeten houvven,
En dat oock sonder gelt. ô vvat een groote spijt!
Men heeft een leelick vvijf, en is syn voordeel quijt.
Neemt gelt, aelvvaerdigh volck, en laet de schoonheyt varen,
VVant hoe de saken gaen sy duert maer vveynigh jaren:
En als haer glans versterft gelijck het ydel gras,
Dan komt het edel gelt een yder vvel te pas.
Gelt, gelt dat is de saus, de keest van alle saken,
Het doet het maeghde-vleys aen vrijers lecker smaken:
Daer is maer kleyn vermaeck ontrent een vrouvven-keurs
Indienmer niet en vint een op-gevolde beurs.
Vergaept u niet te seer ontrent de schoone leden,
VVat voor haer vvort geseyt en zijn maer losse reden:
Het gelt is vaster stof, gelijck men vvert gevvaer;
Ghy, trout een vvijf om gout, en niet om gout-geel hair.
Waer toe juyst vvitte vervv, en roos-gelijcke kaken?
Een vrou kan sonder dat een man tot vader maken:
Een schoon en leelick vvijf en heeft geen onderscheyt,
VVanneer de gulde son haer stralen neder leyt.
Ha! ’t is een schoone kans gevvin te mogen rapen
Niet door verdrietigh svveet, maer slechts om by te slapen:
Niet met een stage sorgh te quellen syn verstant,
Maer met een jonge vrou te nemen metter hant,
Te nemen in den arm. t’sa rept u, jonge gasten,
Het vvort u nu gejont om toe te mogen tasten:
Ten komt niet alle-daegh dat u te deser stont
Komt spelen voor het oogh, en vallen in den mont.
Nu spreeckt, en ’t is gedaen. Indien de vrijers svvijgen,
En dat de jonge maeght geen man en vveet te krijgen
Ten prijse nu geseyt, soo roept hy vveder uyt:
Hoe! isser niet een mensch die vvil een jonge bruyt?
VVel hondert daelders meer sal hier een vrijer trecken,
Laet dat u zijn een spoor om vrijers op te vvecken:
Noch hondert boven dien. vvel seghter niemant, Mijn?
Gevvis hier moet een hoop van rechte lubbers zijn.
VVel niemant? niemant niet? hoe! salder niemant spreken?
VVel niemant? niet een mensch? ba dat zijn vreemde treken:
Wel niemant? hoor ick niet? hoe niemant? isset geck:
De ratte, naer ick sie, en vvil niet aen het speck.
Hoe dus, aelvveerdigh volck? heeft niemant lust te trouvven?
Of isser nu geen vreught by gelt en jonge vrouvven?
Ist niet het soetste tuygh dat yemant hebben magh,
Het eene voor de nacht, het ander voor den dagh?
Nu vijftigh kroonen bet. noch hoor ick niemant mijnen,
Het schijnt dat alle lust tot vrijsters sal verdvvijnen.
Jck roepe dat ick kugh, en dat het aertrijk dreunt,
En al dees grooten hoop die staet gelijck verkleunt.
De droogers svvijgen noch. ick moet in vreemde palen,
Jck moet een ander jeught en beter vrijers halen;
VVant daer vvil niet een visch hier bijten aen het aes,
En dat maer om een gril, of om een vijse-vaes.
Ist om den grooten mont dat sy de vrijster laten?
Maer dat kan menighmael de jonge lieden baten.
Hoe dvvaes is oock het volck! het schout dat gunste biet,
Hoe geck is al de jeught! sy kent haer voordeel niet.
Als yemant lippen heeft gelijck als groote quabben,
Al eetse dickmael pap, sy kan haer niet beslabben:
En alsse liefde pleeght haer kus die is gevvis;
VVant is de haven ruym, geen schip en seylter mis.
Mier ’t meysjen is gebult, is dat de vrijers tegen?
Soo ghy het vvel begreept het vvaer u enckel segen:
Leert, leert dat oock een bult u dickmael baten kan,
AEsopus had een bult, en vvas een geestigh man:
En Crates boven dat. ontrent gebulte leden
Daer vint men menighmael de vvoon-plaets van de reden;
Die vvil een ruymer huys: soo dat een groeten bult
Is dickmael met verstant en enckel geest gevult.
Maer sy is bijster manck, en hinckt ter vveder-zijden,
VVel dat behoort een man oock met vermaeck te lijden,
’T en sal geen loopster zijn. en die het huys bevvaert
Dat is een nutte vrou, en van den besten aert.
Een vvijf dat veerdigh is en speelt met rappe koten,
Dat heeft al menighmael een eerlick man verdroten:
Men segge vvat men vvil, een huys-vvijf is bequaem,
En ’t is, nae mijn begrijp, de beste vrouvve-naem.
Maer sy is al te grof en bijster onbesneden,
Daer hangen klompen vets ontrent haer bolle leden:
Siet vvat een onsoet vleesch! hoe, mackers, zijtje geck?
Noemt ghy een pousel quaet, en vet zijn een gebreck?
Ké vvilt u, zijdy vvijs, van dese reden vvachten,
Een lijf gelijck een dons hoe konje dat verachten?
Dat bol, dat jeughdigh vleesch, dat mals en keestigh vet
Dat noem ick vvel te recht een kussen in het bet.
Wien isset niet bekent? het vet dat is het leven,
Dat kan een eerlick man vermaeck en lusten geven:
Het mager is de doot, of met de doot gelijck,
Het neyght als tot het graf en tot het duyster rijck.
Laet vet en pousel volck op uvven leger brengen,
Jn ’t graf daer sal men been en dorre schenckels mengen.
Noyt had een eerlick man een beter tijt-verdrijf,
Als by een jongh, een mals, een bol, een vleesigh lijf.
Nu vvaerom meer geseyt? ghy, leefje nae de reden,
En hanght niet aen de schors of aen de buyte-leden:
Een mont, een oogh, een neus, of dus of soo gestelt,
Al dat is geensins vveert dat sigh des yemant quelt.
Dat zijn de gronden niet daer op men dient te trouvven,
VVat in de boesems schuylt dat maeckt bequame vrouvven:
Ghy die nu mannen vvert en acht geen kinder-spel,
En sooje trouvven vvilt, en trout niet om het vel.
Al dat en is maer schijn, en niet als vijse-vasen,
En speeltjes voor de jeught, en lock-aes voor de dvvasen;
Een stil, een aerdigh hert dat kleeft aen haren man,
Dat isset dat de trou geluckigh maken kan.
Nu vveder tot het vverck. VVel duysent goude kroonen,
En hondert daelders bet: vvie koomt sigh hier vertoonen?
VVie spreeckter nu een vvoort? vvie koomter voor den dagh?
Mijn, sey de schrale Fop, en mit soo gingh de slagh:
Hy knap den vvagen op, en flucx het gelt genomen,
De vrijster, naer hem docht, die soud’ hy vvel bekomen;
Soo dat het by het volck in tvvijffel vvort gestelt
Of hy de vrijster trout, of vvel het machtigh gelt.
Daer juyght de gansche stadt, en dat met luyder kelen,
Dies laet men op de mart het bruylofs-deuntjen spelen:
En nae dat in de kerck de Goden zijn gegroet,
Soo danft men om den mey of om den rosen-hoet,
Tot dat de nacht genaeckt: dan gaet de vrijer slapen,
En vveet oock even daer syn voordeel uyt te rapen;
VVant met het eerste kint soo krijght hy vveder gelt,
Dat vvert hem in de kraem al vveder aen-getelt.
Daer koopt men luyren om, en diergelijcke saken
Die met een grooten lust de jonge vrouvven maken.
Siet! hoe dit machtigh volck op alle vrijsters let,
En sonder onderscheyt in echte banden set.
Die schoon is vvert gekocht, en ’t gelt voor haer gekregen
Maeckt tot een leelick vvijf een gierigh hert genegen:
Dus vvertet al gevvilt, en met een man verselt
Of om een roode mont, of om het machtigh gelt.
Dan of dit dienstigh is en nut tot echte vvetten,
Daer staet hem die het raeckt met aendacht op te letten.
Ghy svvijght des, sangh-Godin; vvant soo verheven riet
En vvast aen Helicon of op Parnassus niet.