Wij hebben een zuster, op de aarde, gevonden!
Zoo zongen twee Eng’len, van blijdschap, verrukt,
Zij vlogen den hemel, al zingende, binnen;
Doch keerden weêr aanstonds naar de aarde te rug.
Nu vlogen hun broeders, al juichende, mede —
De hemel verlangde dit wonder te zien!
Zij vlogen, en kwamen, zoo snel als de bliksem,
Op de aarde, in een boschje van olmen, ter neêr.
Daar zagen zij Chloë, zo schoon als de morgen,
Verzonken in aandagt, eerbiedig geknield;
De traanen der godvrugt versierden heur wangen,
Als drupjes des morgens, de jeugdige roos.
Nu sloeg ze heur oogen, eerbiedig, naar boven,
Als zag zij de Godheid, in ’t heilige bosch! —
Nu riepen, eenstemmig, de juichende geesten:
Wij blijven, o Vader! bij Chloë, in ’t bosch!
Toen schudde de Vader der schepping de toppen
Der olmen — een windje ging, suissend, door ’t loof;
En de Engelen hoorden het bevel van hun’ Schepper:
Zij voerden het meisje, nog biddende, omhoog!
Wij hebben een zuster, op de aarde gevonden!
Zoo zongen al de Eng’len, van blijdschap, verrukt.
Zij vlogen den hemel, al zingende, binnen,
En bragten het meisjen, eerbiedig, voor God!